Zoeken
 
Print | Verstuur e-mail

Sjögren, syndroom van

Hoe wordt de diagnose gesteld?

Heeft u droge ogen, een droge mond en vermoeidheid in combinatie met spier- en gewrichtsklachten en klachten door het fenomeen van Raynaud? Dan kan uw arts denken aan het syndroom van Sjögren. Andere oorzaken kunnen aangetoond worden met aanvullend onderzoek.

Klachten door Sjögren?
Bij droge ogen, een droge mond en vermoeidheid in combinatie met spier- en gewrichtsklachten kan uw arts denken aan het syndroom van Sjögren. Deze klachten kunnen echter ook andere oorzaken hebben. Zo kan droogte optreden door het gebruik van bepaalde medicijnen, zoals slaaptabletten of bloeddrukmedicijnen.
Gebruikt u medicijnen? Meld dit dan aan uw reumatoloog.

Aanvullend onderzoek nodig
Uw reumatoloog of internist zal aanvullend onderzoek doen om erachter te komen of uw klachten door het syndroom van Sjögren worden veroorzaakt of een andere oorzaak hebben. Er bestaat geen specifieke test waarmee Sjögren kan worden aangetoond. Uw arts baseert de diagnose op het gesprek dat u met hem heeft, het lichamelijk onderzoek, het bloedonderzoek en onderzoek naar de functie van uw traan- en speekselklieren.
Soms wordt er geen andere verklaring gevonden voor uw klachten. Deze kunnen dan omschreven worden als het sicca-syndroom. Als uw arts daarnaast heeft vastgesteld dat uw klachten worden veroorzaakt door een onderliggende auto-immuunziekte, dan kan de diagnose syndroom van Sjögren worden gesteld.

Bloedonderzoek
Bij Sjögren komen meestal één of meer antistoffen in het bloed voor, die allen worden gemaakt door bepaalde cellen in het immuunsysteem: de B-cellen. Deze B-cellen zijn bij het syndroom van Sjögren overactief.  Het kunnen de antistoffen ANA, anti-SSA en anti-SSB zijn en de reumafactor. Bloedonderzoek geeft ook inzicht in de mate van ontsteking. Dit wordt gemeten met de bezinkingssnelheid. Bij het syndroom van Sjögren heeft u vaak een verhoogde bezinking. Dit wordt veroorzaakt door een verhoogd IgG gehalte.

Ongeveer een kwart van de mensen met Sjögren heeft last van bloedarmoede. Dit komt doordat chronische ontstekingen vaak samengaan met een laag Hb-gehalte in het bloed, oftewel bloedarmoede. Soms kunnen factoren zoals vitaminegebrek een rol spelen doordat u bij het syndroom van Sjögren vitaminen uit uw voedsel minder goed kunt opnemen in de maag. Als het nodig is, onderzoekt uw arts dit verder.

Speciaal oogonderzoek
Er zijn 3 vormen van oogonderzoek waarmee uw arts kan bepalen of uw ogen voldoende traanvocht aanmaken en hoe de kwaliteit van dat vocht is. De oogtesten worden uitgevoerd door de oogarts. De Schirmertest wordt soms door de reumatoloog of internist gedaan.

  • Schirmertest: Hiermee onderzoekt de arts hoeveel traanvocht u aanmaakt. De oogarts hangt een smal reepje filterpapier aan uw onderste ooglid. Na vijf minuten controleert hij hoeveel millimeter van het papiertje nat is geworden. Normaal is dat meer dan tien millimeter. Bij de meeste mensen met Sjögren wordt het papiertje minder dan 5 millimeter in 5 minuten bevochtigd. Bij sommige mensen met het syndroom van Sjögren wordt het papiertje wel goed nat. Zij maken dan wel voldoende traanvocht, maar dit is van slechte kwaliteit. De BUT-test kan vervolgens de kwaliteit van het traanvocht bepalen.
  • Break-up-time-test: Uw arts kan de kwaliteit van de traanfilm meten met de zogenaamde break-up-time-test, afgekort BUT-test. Hij vraagt u om niet te knipperen. Dan meet hij het aantal seconden dat het duurt voordat de traanfilm op het oogoppervlak breekt. Normaal duurt dit langer dan tien seconden, maar bij het syndroom van Sjögren breekt de traanfilm vaak eerder.
  • Lissaminegroen-test: Als uw oog droog is, controleert de arts met een kleurstof (lissaminegroen) of uw hoornvlies is beschadigd. Door de kleine hoeveelheid traanvocht veranderen de oppervlakkige cellen van het oogoppervlak. Door de speciale kleurstof in uw oog te druppelen, kan de oogarts vaststellen of de cellen van het oogoppervlak op deze manier zijn veranderd. De kleurstof hecht zich sterker aan uw oog als u last heeft van droge ogen en er beschadigingen aan het hoornvlies zijn ontstaan.
  • Vaak wordt er nog een laatste test gedaan, de fluoresceïne test, om te bekijken hoe uw hoornvlies er uit ziet.


De uitslag van deze vier genoemde testen wordt beoordeeld door de oogarts. Hij kan boordelen of uw oogklachten te maken hebben met het syndroom van Sjögren.

Onderzoek van mond en speekselklieren
Vaak is het de tandarts die de eerste symptomen van het syndroom van Sjögren ontdekt. Door het gebrek aan goed speeksel loopt u meer risico op tandbederf en schimmelinfecties in uw mond. Nader onderzoek van uw mond en speekselklieren kan op verschillende manieren gebeuren. Het speekselklieronderzoek wordt uitgevoerd door de mond-, kaak- en aangezichtschirurg (MKA-chirurg) en in sommige ziekenhuizen door de keel-, neus- en oorarts (KNO-arts). Tijdens een lichamelijk onderzoek kan uw arts vaststellen of uw (grotere) speekselklieren zijn verdikt. Ook kan uw arts de hoeveelheid en de samenstelling van uw speeksel onderzoeken. Bij een sialometrie wordt onderzocht hoeveel speeksel de speekselklieren produceren. Bij sialochemie wordt de samenstelling van het speeksel onderzocht.


Het belangrijkste onderzoek is echter het lipbiopt. Bij het lipbiopt wordt de binnenzijde van uw onderlip verdoofd, waarna een klein sneetje wordt gemaakt. Vlak onder het oppervlak van het slijmvlies kunnen kleine speekselkliertjes worden gevonden. Hiervan worden 4 tot 6 speekselklierdeeltjes ter grootte van een speldenknop weggehaald. Het sneetje wordt met enkele oplosbare hechtingen dichtgemaakt. In sommige ziekenhuizen wordt een biopt uit de oorspeekselklier genomen. Onder de microscoop wordt duidelijk of er in deze speekselklier weefselafwijkingen worden gevonden die passen bij het syndroom van Sjögren. Het lipbiopt wordt soms herhaald om het effect van uw behandeling te kunnen bepalen.

Andere onderzoeken
Als uw arts denkt dat u het syndroom van Sjögren heeft, laat hij vaak nog enkele andere onderzoeken doen. De aandoening kan namelijk klachten veroorzaken in verschillende andere organen.

Uw arts kan bijvoorbeeld besluiten aanvullende bloedonderzoeken te doen naar de functie van uw schildklier, uw lever of uw nieren. Ook kan uw arts een longfoto maken of een longfunctietest doen. Daarnaast kan het nodig zijn om uw slokdarm, zenuwen of huid te onderzoeken.

De diagnose
Op basis van deze onderzoeken kan uw arts het vermoeden dat u het syndroom van Sjögren heeft wel of niet bevestigen. Uw arts combineert daarvoor de gegevens uit de verschillende onderzoeken.

Meestal wordt vastgesteld dat u het primaire syndroom van Sjögren heeft als u minstens 4 van de onderstaande kenmerken heeft. Soms kan uw arts de diagnose ook stellen als u minder dan vier van deze kenmerken heeft op grond van de testuitslagen.

Kenmerken primaire syndroom
De kenmerken voor het primaire syndroom van Sjögren zijn:

  • elke dag en langer dan 3 maanden klachten over droge ogen, of een zandgevoel in uw ogen, of vaker dan 3 maal per dag kunsttranen moeten gebruiken
  • elke dag en langer dan 3 maanden klachten over een droge mond, opgezette speekselklieren, of veel water moeten drinken om droog voedsel weg te krijgen
  • oogafwijkingen die blijken uit de Schirmertest of de test met Lissaminegroen
  • afwijkingen in de speekselklierproductie en de samenstelling van het speeksel
  • afwijkingen in uw lip- of oorspeekselklierweefsel die passen bij het syndroom van Sjögren
  • aantoonbare aanwezigheid van tenminste een van de antistoffen anti-SSA of anti-SSB in uw bloed

Bestel de brochure

Wilt u meer weten over syndroom van Sjögren?

Meepraten over reuma?

Like dan onze Facebook-pagina

Wat weet u van reuma?

Steun onderzoek naar Sjögren

Wetenschappelijk onderzoek is dé sleutel tot genezing van het syndroom van Sjögren.